Algemene aspecten
Algemene aspecten van de erfelijkheid
Het menselijk lichaam is opgebouwd uit cellen. Iedere cel bevat een kern, waarin zich het erfelijkheidsmateriaal (DNA) bevindt. Het DNA is als het ware verpakt als chromosomen. Iedere cel bevat 46 chromosomen, die 23 paren vormen. Hiervan zijn 22 paren voor mannen en vrouwen gelijk. Zij zijn genummerd op grootte, 1 t/m 22, en worden autosomen genoemd. Het 23e paar zijn de geslachtschromosomen, XX bij de vrouw en XY bij de man. Van ieder chromosomenpaar hebben we één chromosoom van de moeder gekregen en één van de vader. Eicellen en zaadcellen bevatten 23 chromosomen, van ieder paar één. Bij de bevruchting ontstaat weer een cel met 46 chromosomen, waarvan de helft van de moeder afkomstig is en de helft van de vader.
Een gen is een stuk DNA dat de informatie bevat voor een erfelijke eigenschap. Omdat ieder chromosoom in tweevoud voorkomt (behalve het X- en Y-chromosoom bij mannen), hebben we vrijwel alle genen dubbel. Een erfelijke aandoening wordt veroorzaakt door een mutatie (verandering) in een gen.
Er zijn verschillende wijzen van overerving:
Autosomaal dominante overerving
Autosomaal wil zeggen dat het gen zich bevindt op één van de autosomen en niet op de geslachtschromosomen. Bij dominante overerving is een mutatie in één van beide genen van een genenpaar voldoende om de aandoening te veroorzaken. Het gen met de mutatie is dominant over het normale gen op het andere chromosoom. Een patiënt geeft aan zijn/haar kinderen óf het gen met de mutatie door, óf het normale gen. De partner (ervan uitgaande dat deze de aandoening niet heeft) geeft een normaal gen door. Kinderen hebben dan steeds 50% kans op de aandoening. De aandoening kan dus van generatie op generatie worden doorgegeven en komt evenveel voor bij vrouwen als bij mannen. Vaak is de aandoening al bekend in de familie. Er kan echter ook een nieuwe mutatie zijn ontstaan, waardoor iemand de eerste aangedane persoon is in de familie. Iemand in de familie, die de muatie niet heeft gekregen, kan deze uiteraard ook niet doorgeven.
Autosomaal recessieve overerving
Bij deze manier van overerven krijgt men de aandoening alleen als beide genen van een genenpaar een mutatie bevatten. Een patiënt heeft van beide ouders een mutatie gekregen. Beide ouders hebben zelf meestal slechts één mutatie. Zij hebben hier geen last van en worden dragers genoemd. Als beide ouders dragers zijn, zijn er voor hun kinderen de volgende mogelijkheden:
Beide ouders geven het normale gen door. Het kind is gezond en geen drager (25%).
De moeder geeft de mutatie door, de vader het normale gen. Of vader geeft de mutatie door en moeder het normale gen. Het kind is gezond en drager (50%).
Beide ouders geven de mutatie door. Het kind krijgt de aandoening (25%).
De aandoening komt meestal alleen bij broers en zussen voor, niet bij andere familieleden. Vaak is iemand de enige aangedane persoon in de familie. Een patiënt geeft aan zijn kinderen altijd een gen met een mutatie door. Kinderen kunnen alleen de aandoening krijgen, als zij ook van de andere ouder een mutatie krijgen. Die kans is klein, mits de partner geen bloedverwant is en de aandoening niet in zijn/haar familie voorkomt.
Geslachtsgebonden overerving
Dit wordt ook wel X-gebonden overerving genoemd, omdat er hierbij sprake is van een mutatie in een gen op het X-chromosoom. Als een vrouw een mutatie heeft op een van haar X-chromosomen, wordt dit meestal (geheel of gedeeltelijk) gecompenseerd door het normale gen op het andere X-chromosoom. Een vrouw wordt d an draagster genoemd van de aandoening. Als een man op zijn X-chromosoom een mutatie heeft, wordt dit niet gecompenseerd, want op het Y-chromosoom liggen andere genen. Een man krijgt de aandoening dus.
Als een vrouw, die draagster is van een X-gebonden aandoening, kinderen krijgt, zijn er de volgende mogelijkheden:
Zij geeft de normale X door, de vader geeft ook zijn X door. Er wordt een gezonde dochter geboren, die geen draagster is (25%).
Zij geeft de X met de mutatie door, de vader geeft zijn X door. Er wordt een dochter geboren die draagster is (25%).
Zij geeft de normale X door, de vader geeft zijn Y door. Er wordt een gezonde zoon geboren (25%).
Zij geeft de X met de mutatie door, de vader geeft zijn Y door. Er wordt een zoon geboren met de aandoening (25%).
Als een aangedane man kinderen krijgt, zijn er 2 mogelijkheden:
Hij geeft zijn X-chromosoom door en dus de mutatie. Er wordt een dochter geboren, die draagster is (50%).
Hij geeft zijn Y-chromosoom door. Er wordt een gezonde zoon geboren.
Dochters van een aangedane man zijn dus zeker draagster. De aandoening wordt nooit van vader op zoon doorgegeven.
Zoals gezegd wordt de mutatie bij draagsters meestal gecompenseerd door het normale gen op het andere X-chromosoom. Dit is echter niet altijd het geval. In iedere cel is slechts één X-chromosoom actief. Welk X-chromosoom actief is in welke cel, is door toeval bepaald. Als toevallig in het betreffende weefsel (bijvoorbeeld het netvlies) vooral het X-chromosoom met de mutatie actief is, kunnen vrouwen ook duidelijk zijn aangedaan. Bij X-gebonden retinitis pigmentosa worden bij oogheelkundig onderzoek en aanvullend onderzoek (met name ERG) bij meer dan 90% van de draagsters afwijkingen gevonden. Deze afwijkingen zijn meestal mild, maar soms zijn vrouwen even ernstig aangedaan als mannen
Klinisch geneticus
Als u vragen heeft over de erfelijkheid van een aandoening bij u zelf of in uw familie, kunt u terecht bij een klinisch geneticus. Dit is een arts die gespecialiseerd is in erfelijkheid. U kunt door de huisarts of door een andere specialist verwezen worden naar een klinisch geneticus. Alle universitair medische centra hebben een afdeling Klinische genetica [link]. Daarnaast kunt u voor erfelijke oogziekten terecht bij de afdeling Klinische en moleculaire genetica van het Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen (NIN). Vragen die aan bod kunnen komen, zijn bijvoorbeeld:
• Is mijn aandoening erfelijk? Hoe erft het over? Wat is de kans voor mijn (eventuele) kinderen? Is onderzoek mogelijk tijdens een zwangerschap?
• Kan ik de aandoening, die in mijn familie voorkomt, ook krijgen en/of doorgeven? Kan ik dat laten onderzoeken?
• Is er een verband tussen de verschillende aandoeningen, die ik heb?
• Is DNA-onderzoek mogelijk met het oog op eventuele gentherapie in de toekomst?